Categorie archief: Verhalen

Debby

Ik had net het verontrustende appje van Debby gelezen toen er een snelle zakenjongen bij mij in de taxi stapte. In alles zat vaart bij die maffe gast. Hoe hij zich met een rotgang in de bijrijdersstoel wierp. Hoe hij zijn koffertje razendsnel op schoot trok. Maar vooral het krankzinnige tempo waarin er woorden uit zijn mond kwamen was absurd. De man ratelde dat hij naar het centrum van Rotterdam wilde. De woorden die hij uitsprak vielen over elkaar heen als vallende stenen in een verwoestende lawine. Misschien had hij speed of coke genomen? De man sprak onophoudelijk. We waren nog niet eens het terrein van Schiphol af of hij probeerde mij al een chocoladefabriek in Maleisië te verkopen. De man was een praatzieke machine. Natuurlijk was ik me bewust van mijn vreemde klant maar ik had mijn aandacht er helemaal niet bij. Ik dacht aan Debby.

Debby was mijn vriendin. Echt een topwijf waar je mee voor de dag kon komen. In het berichtje dat ze mij stuurde stond dat Frank bij haar op bezoek was. Zijn komst was onverwacht en hij was nogal van slag.  Bij Frank kwam het vermogen vandaan dat nodig was om Debby in te palmen. Uit eten, weekendjes weg; noem maar op. Ik had kosten nog moeite gespaard om indruk op haar te maken. Het was elke cent dubbel en dwars waard want Debby ging nu helemaal plat voor me. Jammer dat Frank steeds moeilijker ging doen. Stel je voor; hij ging zelfs zijn geld terug vragen. Geld dat hij heel gemakkelijk verdiende met programmeren. Zelf deed hij er niets mee, die nerd. Soms nam ik hem mee naar een café of hingen we wat rond met vrienden in de buurt. Eigenlijk zorgde ik ervoor dat hij zo af en toe de deur uit kwam.

Ik wisselde van baan en zette de radio wat harder om het verbale geweld in mijn taxi wat te verzachten. Het hielp niet. De zinnen die mijn klant door de auto smeet overstemden alles. De woorden waren zwaar en vettig en bleven lang hangen. Zijn monoloog ging nu over Griekse bankaandelen. Dat ik die nu moest kopen. Nee, maar echt. In een krankzinnig tempo zette hij zijn waanvoorspelling van de van de Griekse economie uiteen: een ware wederopstanding. Ik knikte. Ik vond hem natuurlijk een bizarre freak, maar ik dacht aan Frank.

Ik moest altijd hard lachen als Frank zei dat hij Debby van mij af ging pakken. Voor zo’n droogkloot als Frank was het een ijzersterke grap om zoiets te zeggen. Hilarisch vond ik het. Alsof die knul mij het gevoel wilde geven dat hij recht op Debby had omdat ik zijn geld aan haar besteed had.  Het was eigenlijk een beetje aandoenlijk. Frank is een labiele jongen,  zo’n type waar vrouwen alleen maar  medelijden mee kunnen hebben. Toen ik hem gisteren in het koffiehuis sprak was er iets onverzettelijks in zijn houding. En in zijn woorden zat een opvallende intensiteit . Wat had hij nou ook al weer precies gezegd? Dat ik niet goed voor Debby zorgde. Ok, dat is zijn mening. Maar wat heeft hij er mee te maken? En dat ik van hem geleend geld had gebruikt voor de illegale lotto en kaartjes voor voetbalwedstrijden in plaats van aan Debby. Dat was waar. Wat wilde hij er tegen doen? En hij zei dus weer dat hij Debby van mij ging afpikken. Het idee.

Als ik heel eerlijk ben had ik er nooit aan gedacht om hem ook maar iets terug te betalen. Waar zou ik het geld in godsnaam vandaan moeten halen?  En dan nog. Dat ik die jongen overal mee naartoe nam, daar mocht toch ook wel iets tegenover staan? De hysterische spraakwaterval naast me gaf nu een preek over zijn geopolitieke inzichten. De namen van landen en politici ratelden door mijn taxi als een mitrailleursalvo in een goedkope oorlogsfilm. Hard, scherp en razendsnel. We reden nu ter hoogte van Den Haag. Ik keek even naar de mond van mijn klant. Het was een groot gat, monsterlijk bijna. Een woorden spuiende vulkaan. Het was indrukwekkend; ik had nog nooit zoiets gezien. Toch dacht ik aan Frank en Debby.

Frank en Debby kenden elkaar via mij. We dronken wel eens wat in het koffiehuis waar Debby’s moeder werkte en waar ik mijn zaakjes afhandelde. Frank kwam er vaak omdat hij graag naar Debby keek. Ik vond dat niet erg, ik had er zelfs begrip voor dat hij een beetje verliefd op haar was. Daarom gaf hij natuurlijk zijn geld zo gemakkelijk aan mij. Zo had hij het gevoel dat hij ook bijdroeg aan Debby’s geluk. Misschien heb ik hem onderschat. Wie weet houdt hij op dit moment wel een huilverhaal tegen Debby. Hoe zou ze daar op reageren?

We reden nu in Rotterdam. Ik keek naar mijn klant. Zijn mond bewoog en de rest van zijn lichaam stond in dienst van zijn overactieve spreekorgaan. Zijn borst was opgezwollen en zijn schouders leken in verhouding smal. Zijn armen hingen er nutteloos bij. Er kwam nog steeds geluid uit de zakenman. Het leek wel een sirene. Ik kon geen afzonderlijke woorden meer onderscheiden. Het was meer een vibrerende geluid producerende energie. Een voortdurende golf van herrie. Ik dacht een moment niet aan Debby en toen gebeurde het: ik verdween in die oorverdovende trip van geluid. Het zoog me simpelweg weg uit de realiteit. Ik werd één met het geluid, de sirene. Ik zat in die waanzinnige kolk, het was als een psychose. Ineens wist ik precies wat Frank had gezegd. Het was een helder inzicht in een bizarre hallucinerende toestand. Ik greep mijn stuur stevig vast want ik wist het. Hij had niet gezegd dat hij Debby van mij af ging pakken. Dat bedoelde hij helemaal niet. ‘Je verliest Debby,’ had Frank gezegd. Die ernstige blik in zijn ogen. Hij was natuurlijk altijd al een aparte jongen geweest. Waarom had ik dat niet eerder gezien? Die gek ging Debby iets aandoen. Misschien ging hij haar wel vermoorden. Ik bevond me nog steeds in die verschrikkelijke zuil van geluid. In die angstige fantasie wilde ik naar Debby. Ik gaf gas en reed verschrikkelijk hard om haar zo snel mogelijk te zien. Toen ik de straat inreed waar ze woonde zag ik de ambulance al voor de deur staan. Mijn hart bonkte in mijn keel. ‘Je verliest Debby,’ hoorde ik Frank keer op keer in mijn hoofd zeggen. Ik parkeerde, nog steeds in die absurde roes, mijn taxi en rende naar de voordeur. Twee broeders met een brancard kwamen me al tegenmoed. Ik begon te schreeuwen zoals ik nog nooit had gedaan. Mijn geschreeuw vormde een absurde symfonie met dat achterlijke geluid van de klant in de taxi. Vanuit die absolute gekte, die verschrikkelijke herrie keerde ik terug uit die angstige trip. Ik had het stuur van mijn auto stevig vast maar ik stond kennelijk al even stil. We waren  niet van onze plek, vlak bij het centrum van Rotterdam, geweest. Ik was doodsbang.

Mijn klant was ook eindelijk  tot rust gekomen. Hij zag er uitgeput uit. Er zaten blaren op zijn mond en hij ademde moeizaam. Het was een hoopje mens. Hij klampte zich vast aan zijn koffertje dat hij nog steeds op schoot had. Ik registreerde dat absurde fenomeen natuurlijk, maar ik dacht aan Debby. Zou ze nog leven? Ik pakte met trillende vingers mijn telefoon. Debby nam op. Ik kon wel janken toen ik haar stem hoorde.  Ik was zo blij. Ik vroeg haar of Frank nog bij haar was. Zonder op antwoord te wachten vroeg ik haar of alles goed met haar was. Niet alles was goed had ze gezegd.  Ze zei dat ze met Frank had gepraat en dat ze behoorlijk  was geschrokken. Dat ze dingen over mij had gehoord die ze niet wist en die ze niet leuk vond. Ze wilde wat tijd om over onze relatie na te denken. Een time out. Ze wilde het gesprek kort houden omdat ze een hapje ging eten met Frank. Ze zou me nog wel bellen. Ik schoof mijn mobiel in mijn binnenzak en vloekte. Ik sloeg met  mijn vuisten op het stuur van mijn taxi tot de tranen kwamen. Na een tijdje vroeg mijn klant met zachte stem hoeveel hij mij schuldig was en dat hij hier wel uit wilde stappen. Ik noemde het bedrag dat op de meter stond maar ik was er in gedachten niet bij. Ik dacht aan Frank en Debby.

Goeroe TV

Het was gelukt. Bram van Lus was ontsnapt aan de beklemmende aandacht van zijn volgelingen. Het is natuurlijk absurd dat een spiritueel leider een list moet verzinnen om er even tussenuit te knijpen. Goeroe onwaardig vond hij het. Volgens plan ontdekte één van zijn discipelen dat de inhoud van het donatiepotje voor zielige Tibetaanse monniken was verdwenen. En zoals verwacht had waren alle drie zijn discipelen al snel op zoek naar het kleingeld. Het leken wel een stelletje broedse kippen, dacht Bram, zoals ze plotseling rondscharrelden in de door hem ingewijde rijtjeswoning. Misschien zat er nog wel een aardig idee in voor een actieve meditatie, schoot hem te binnen; pluimvee-therapie voor dolende zielen ofzo. Hij kon zijn volgelingen de gekste dingen laten doen, maar hem ergens alleen naar toe laten gaan stonden ze niet toe. Daar vonden ze hem te kwetsbaar voor. Dat hadden ze in een groepsgesprek voorzichtig aangegeven. Bram deed net alsof hij mee zocht naar het kleingeld en slofte langzaam in de richting van de gang van het spiritueel centrum. In het nauwe halletje griste hij nog snel een wollen vest van één van zijn volgelingen mee en glipte stilletjes naar buiten.

De goeroe haastte zich door de smalle straten van het provinciestadje. Hij voelde zich bevrijd, zo zonder de kritische blikken van zijn discipelen. Het viel heus niet altijd mee om een goeroe te zijn maar nu huppelde hij bijna van vrolijkheid. Het was vrijdagmiddag en het regende een beetje. Niemand volgde hem, constateerde hij tevreden toen hij bij het oversteken van het kerkplein even achterom keek. Een beetje bezweet maar erg opgewonden zat hij tien minuten later in de trein naar Amsterdam. Hij  jeukte even in zijn hals maar was vergeten dat hij die paar rotcenten uit het donatiepotje nog in zijn hand had. Het kleingeld rolde door de stiltecoupe. Bram vloekte binnensmonds en liet zich door zijn stramme knieën zakken om de muntjes van twintig en vijftig cent bij elkaar te rapen.

De man van de commerciële tv had gezegd dat Bram altijd welkom was om te komen praten over een televisieprogramma. Nou, hij was onderweg hoor. De trein waarin hij zat doorsneed comfortabel het lentelandschap en stopte niet bij elk lullig stationnetje.  De mediaman had hem benaderd op een spirituele beurs in Voorburg. Hij beweerde dat hij de aurareading  die Van Lus hem had gegeven had een openbaring vond. ‘Het was een spirituele doorbraak,’ had hij gezegd. ‘De wereld heeft gewoon meer inspirators zoals u nodig.’ Bram van Lus bloosde ervan. ‘Mensen hebben behoefte aan sturing, een spiritueel kompas,’ reageerde Bram zalvend, ‘ik ben er om in die behoefte te voorzien.’ De man legde uit dat hij een scout was voor de commerciële televisie en dat hij  altijd op zoek was naar nieuw talent. Samen hadden ze wat over een spiritueel programma gefantaseerd. ‘Goeroe TV’ noemde de talentenscout het. Hij had Bram zijn kaartje gegeven. Enthousiast vertelde van Lus later over deze ontmoeting aan zijn volgelingen. Hij overdreef een beetje. Hij zei dat de show waarschijnlijk ‘Goeroe TV met Bram van Lus’ ging heten. Zijn discipelen probeerden hem het idee uit het hoofd te praten. In feite waren zijn volgelingen gewoon een stelletje bezitterige vrouwen, vond Bram. Het was voor hem compleet duidelijk dat ze hem voor zichzelf wilden houden. De goeroe had gezegd dat hij via de massamedia veel meer mensen kon bereiken en helpen. Zijn kortzichtige discipelen waren niet onder de indruk. De Van Lus vrouwen zeiden bang te zijn dat hun goeroe op tv voor lul werd gezet. Bram werd weer boos als hij aan dat gesprek dacht.

Twee vrouwen van middelbare leeftijd kwamen tegenover hem in de trein zitten. Bram ergerde zich meteen al aan hen. Er was plek genoeg in de trein dus waarom moesten ze uitgerekend bij hem komen zitten? En waarom hielden ze hun klep niet? Was hij net aan het kippenhok in het Van Luscentrum ontsnapt en dan kreeg je dit onnozele gekwaak. Hij jeukte uitgebreid in zijn nek. Buiten flitsten de weilanden voorbij en het regende nog steeds. Zou hij de vrouwen aanspreken? Gewoon vragen of ze hun geroddel elders in de trein wilden voortzetten. Of was het beter om ze op de tekst ‘stiltecoupe’ te wijzen die met koeienletters op de ramen stond? Nee, hij besloot hun mind binnen te dringen met gedachtengolven en ze zo het zwijgen op te leggen. Hij was tenslotte een goeroe. Hij concentreerde zich een paar minuten op zijn ademhaling. Al snel voelde hij een pulserende energie in zijn onderbuik, het teken om in actie te komen. Hij fixeerde zijn blik op het voorhoofd van een van de vrouwen en startte een dwingende gedachtenmantra. ‘Zwijg mens, zwijg,’ zei hij indringend in zijn hoofd. Even leek de hypnose van Bram te werken maar dat was schijn. De vrouw waar hij zich op richtte luisterde toevallig net naar een uitgebreid relaas waar de ander aan begonnen was. Snel verplaatste hij zijn energie naar de meest babbelzieke van de twee. Verbeten  vuurde hij zijn mantragedachten op haar af. Het werkte niet, ze bleef woorden uitbraken. Bram voerde de intensiteit van zijn hypnose op. Het leek verdomme wel of het haar aanmoedigde. Hij waagde nog een laatste poging maar het lukte hem niet haar stil te krijgen. Die vrouwen zijn dus totaal niet spiritueel ingesteld, concludeerde Van Lus gefrustreerd.  Aan hem kon het niet liggen, maar verschrikkelijk irritant was het wel. Gelukkig stapten de vrouwen in Weesp uit. De jeuk die hij had beperkte zich niet meer tot zijn hals en nek maar breidde zich uit over zijn borst en zijn hele gezicht. Hij werd er gek van. Misschien was hij toch ook een beetje zenuwachtig.

Zouden die domme ganzen van volgelingen eigenlijk al door hebben dat hij weg was, dacht Van Lus, of liepen ze nog steeds als een stelletje zombies naar die rotcenten te zoeken? Bram had er genoeg van om omringt te zijn door beperkte geesten. Hij walgde van de stoffige zaaltjes die ze voor hem boekten voor spirituele bijeenkomsten. Van die ouderwetse buurthuizen waar domme tokkies en verveelde huisvrouwen op een wondertje zaten te wachten. De eeuwige kruidenthee en de misselijk makende wierook. Bah, hij wilde hogerop. Hij wilde volle theaterzalen met juichende mensen. Hij was toe aan massa healings met champagne arrangementen en een sexy showballet. De jeuk die zich nu over zijn hele bovenlichaam had verspreid werd hem nu echt teveel. Onderweg naar het toilet trok Bram van Lus dat rottige kriebelvest uit. De trein ging een bocht door en de goeroe raakte een beetje uit evenwicht.  De wc was bezet. Bram van Lus  sloeg met zijn vuisten op de deur en gromde. Dat hielp, een jongen van een jaar of twaalf kwam haastig de wc uit. Zie je wel, dacht hij, ik kan mensen best mijn wil opleggen. Hij sloot zichzelf op. Met zijn handen schepte hij water uit het fonteintje en gooide het tegen zijn gezicht en in zijn hals. Het leek wel alsof zijn huid in brand stond. Dat kwam allemaal door dat wollen klotevest dat hij zo nodig aan moest trekken. Hij keek in de spiegel. Er zaten rode vlekken op zijn wangen en in zijn hals liepen lange striemen door het hevige krabben. Bram zette zijn nagels op zijn hoofd en schuurde stevig door de ergste jeukhaarden.

De goeroe liep in zijn versleten hemd door Amsterdam. Het wollen vest waar zijn huid zo agressief op reageerde had hij in een vuilnisbak op het station gepropt. De route van het centraal station naar het kantoor van de commerciële tv had Bram thuis in het privédomein van het Van Luscentrum al bestudeerd. Het regende hard in de hoofdstad dus hij zette er flink de pas in. Hij had er wel eens voordeliger uitgezien dan vandaag, dat besefte hij heus wel. Maar de mediaman had hem al eens aan het werk gezien, die ging nu vast niet ineens op zijn uiterlijk letten. Een groepje druk pratende jongemannen liep hem bijna omver op het zebrapad. Bram siste en vloekte. De goeroe had het warm en koud tegelijk. Zijn hals voelde opgezet en slikken ging moeilijk. Ook had hij pijn in zijn hoofd gekregen. Maar hij was op pad voor een hoger doel, een betere wereld. Als hij dat nu maar de hele tijd bleef beseffen kwam het wel goed. Hij ging langzamer lopen nu, hij was vlak bij het kantoor van de commerciële televisie. Zijn hoofd barste bijna uit elkaar. Hij legde zijn handen even op zijn hoofd. Dat hielp meestal ook als hij dat bij anderen deed dus waarom bij hemzelf niet? Hij was tenslotte goeroe. Met zijn handen op zijn hoofd legde hij de laatste honderd meter af.

De receptioniste in het mediagebouw keek hem met afschuw aan. Zijn smoezelige natte hemd plakte aan zijn huid en zijn hals was rood opgezet. ‘Afspraak, met wie had u een afspraak?’ vroeg ze, niet eens heel onvriendelijk. Shit. Het visitekaartje van de mediaman zat in zijn jas die nog steeds op de eerste verdieping van het Van Luscentrum lag. Hoe heette de mediaman ook al weer? ‘Dolman, Doorman?’ probeerde Van Lus. De receptioniste zei dat niemand in het gebouw zo heette. Bram probeerde uit te leggen hoe de mediaman er uit zag. Achter hem vormde zich een rij, er waren nog meer mensen die iemand wilde spreken. ‘Hij had gezegd dat ik altijd langs kon komen,’ zei van Lus, ‘hij verwacht me.’ ‘Er is binnen de organisatie vast al over mij gesproken, ik ben die goeroe die een eigen televisieshow gaat maken.’ De receptioniste zuchtte. ‘Meneer alstublieft,’ zei ze, ‘misschien kunt u telefonisch opnieuw een afspraak maken. Ik kan nu niets voor u doen.’ Maar Bram van Lus liet zich niet zomaar weg sturen. ‘Kunt u niet een of andere programmamaker oproepen, of de directeur om mij te woord te staan,’ zei hij behoorlijk hard. ‘Nee.’ ‘Ik moet u nu echt verzoeken het pand te verlaten, of wilt u dat ik de beveiliging roep?’ zei de vrouw nu ferm. Wat zijn dit voor manieren, dacht de goeroe. ‘Wie denk je wel niet wie je bent?’ schreeuwde Bram. ‘Als Goeroe TV er straks komt ben jij de eerste die er hier uitvliegt, daar zal ik een punt van maken met de contractonderhandelingen.’ Ineens stond er een bewaker naast hem die hem het gebouw uit maande.

Bram van Lus liep vloekend en tierend heen en weer voor het mediagebouw. Het regende nog steeds. Vroeg of laat komt de mediaman toch op kantoor, redeneerde hij in zijn boze roes, en dan is alles natuurlijk snel geregeld. Terug naar het Van Luscentrum wilde hij niet meer, de fase met labiele volgelingen en provinciale zuinigheid was nu definitief voorbij.  Als je weet waar je bestemming is dan moet je volharden, praatte Bram zichzelf moed in. Boeddha en Jezus gaven ook niet zomaar op als ze weer eens belachelijk werden gemaakt. In de spiegelruiten van het mediagebouw zag hij dat hij de huid van zijn gezicht en hals tot bloedens toe kapot had gekrabd. Bram van Lus begon hysterisch te lachen. Eigenlijk klopte het plaatje helemaal. Eerst moet er natuurlijk nog pijn geleden worden door de aanstaande TV goeroe. De mediaman zal zijn doorzettingsvermogen vast en zeker kunnen waarderen, dat wist hij zeker. In een vuilnisbak voor het gebouw vond hij een stuk bouwplastic waarin hij zichzelf een beetje kon inpakken tegen de kou. Bram nam vastberaden plaats op de stoep voor het mediagebouw. Hij zwoer dat hij op die koude trottoirtegels zou blijven zitten tot de mediaman hem kwam verlossen. Hij wachtte.

Zwijgziek

De afgelopen maanden voelde ik me echt ontzettend beroerd. Ik was eenzaam, depressief en ziek. Gelukkig kan er in een paar uur tijd veel veranderen want ik sta nu dus vrolijk mijn koffer in te pakken voor een tof tripje. Naar welke plek ik word toegebracht weet ik niet. Van de dienst mag ik eigenlijk niemand over mijn plotselinge vertrek vertellen. Maar omdat ik zo uitgelaten over dit reisje ben schrijf ik toch even dit stiekeme briefje aan jou. Alles komt goed denk ik. Gelukkig heeft mijn contactpersoon me een lijstje gegeven waarop staat wat ik allemaal mee moet nemen want ik ben te opgewonden om hier zelf over na te denken. Die lijstjes liggen gewoon klaar. Er bestaat dus een standaardformulier voor de vreemde situatie waar ik nu in zit. Eigenlijk zou dat me niet meer mogen verbazen na al die jaren. Jij en ik hebben vroeger samen veel gelachen om die absurde bureaucratische zorgvuldigheid. Later kregen we er ruzie om en op het laatst zwegen we erover.

Op het meeneemlijstje staat onder andere badkleding (m/v). Dat vind ik nou leuk, ik heb in geen eeuwen gezwommen. Het lijkt me heerlijk om weer eens een duik te nemen. Ik had de afgelopen maanden natuurlijk tijd zat om naar een zwembad of het strand te gaan maar ik dacht er in mijn depressieve toestand gewoon niet aan. Volgens het lijstje moet ik ook alle papieren meenemen die met mijn zwijgzaak te maken hebben. Dat lijkt logisch, maar ik kan me helemaal niet voorstellen dat ik nog informatie in mijn bezit heb die niet in het archief van de dienst  zit. Het zal wel de standaard procedure zijn, het kan mij in ieder geval niet uit mijn humeur brengen. Want  weet je, ik voel me zo vrolijk dat mijn hele lichaam tintelt. Ik denk echt dat dit reisje het begin kan worden van een supersnel herstel. Daar waar ik naartoe ga, ga ik namelijk weer beginnen met iets dat voor mij bijna onmogelijk is geworden: praten. Ik verlang er intens naar om weer gewoon te kunnen praten. Weg met de benauwdheid, de dichtgeknepen keel en andere spreekblokkades. Ik kan gewoon niet wachten om, als het dus weer beter gaat, met jou te spreken, te kletsen, te babbelen, te converseren en te fluisteren.

Het zat het me van het begin af aan al vreselijk dwars dat ik elke maand een krankzinnig bedrag op mijn rekening kreeg om mijn mond te houden. Ik ben al twee jaar een zwijgambtenaar met een topinkomen. Ik voelde me er continue schuldig over. Het gaat wel om geld dat door het harde werken van anderen bij elkaar gebuffeld wordt terwijl ik de hele dag op mijn reet kan blijven liggen. Zo intens jammer dat ik er niet van kon genieten. Ik vond het lastig om met mensen te praten die gewoon hard moesten werken voor hun geld. Letterlijk. Ik kreeg er een brok in mijn keel van en slikken ging moeilijk. Voor mijn selfmade succesvolle vrienden was ik natuurlijk altijd al een ambtenaar die veel te gemakkelijk zijn geld verdiende. En nu kon ik al ruim voor mijn veertigste thuis blijven zonder dat ik hen kon vertellen hoe dat kwam. Het vrat aan me. Ik werd steeds stiller. Zodra ik mijn mond open wilde doen voelde ik iets blokkeren in mijn lichaam. Praten ging voelen als iets verkeerds, ook al ging het om onbeduidende onderwerpen. Tussen jou en mij werd de stilte beklemmend. Je hebt alles geprobeerd om me aan het praten te krijgen. Therapie stelde je voor. Ik wist dat het niet zou werken want de oorzaak zou onbesproken blijven. Toen je het een half jaar geleden echt zat was ging je bij me weg. Zo’n zwijgende man om je heen, je werd er gek van.

Na jouw vertrek ging het pas echt bergafwaarts met me. Ook fysiek begon het zwijgen me toen echt op te breken. Eerst een vervelend kriebelhoestje en pijn in mijn hoofd. Een onschuldig griepje dacht ik toen nog. Maar het werd steeds erger. Mijn handen gingen trillen, ik zweette verschrikkelijk en de hoofdpijn werd steeds heviger. Praten ging steeds moeizamer, mijn keel was rauw en pijnlijk. Hoe meer ik zweeg hoe erger het werd. Ergens over moeten zwijgen werkt kennelijk heel diep door. Mijn lichaam dacht zoiets: we verdienen ons geld kennelijk met stilte, ik pas me wel aan en schakel allerlei lichaamsfuncties uit om het gemakkelijker te maken. Steeds zieker werd ik. Ik was bang dat ik mezelf aan het doodzwijgen was.

Eerlijk gezegd vond ik dat ik dat zwijggeld helemaal niet verdiende.  Als het bijvoorbeeld om een massamoord of een enorme milieuramp ging had ik het zeker geaccepteerd dat ik mijn mond moest houden. Maar de kwestie waar ik over moest zwijgen ging maar over corruptie van middelmatig niveau. Een deal die het middenstandsniveau nauwelijks ontsteeg. Het ging om nog geen tien miljoen. Bovendien blijft dat soort geld altijd wel op een nuttige manier circuleren. Laat ik het zo zeggen: het is beter besteed dan het vermogen dat ik elke maand op mijn rekening krijg. Corruptie is natuurlijk best ernstig maar toch niet onoverkomelijk? Ik was niet van plan om het aan de grote klok te hangen. We maken allemaal fouten en in onderling overleg kunnen we die best corrigeren of goed maken. De fraude was iets waar ik toevallig achter kwam en mijn leidinggevende kwam er weer toevallig achter dat ik dat wist. Ik beloofde dat ik niets met de belastende informatie zou doen maar daar werd geen genoegen mee genomen. Misschien dachten ze dat ik van nog meer, of ergere, misstanden op de hoogte was?

Ze hadden natuurlijk ook kunnen zeggen: je houdt je mond want anders zal het je bezuren. Of we slopen je als je je scheur opentrekt. Maar bedreiging is niet echt de stijl van de dienst, ze betalen kennelijk  liever voor geheimhouding. Het is gemakkelijk schuiven met het geld van iemand anders. Gisterenavond dacht ik ineens: hoeveel mensen zouden er net als ik thuis zitten met zo’n zwijggeldregeling?  Ik ben vast niet de enige. In de twintig jaar dat ik voor de dienst werkte gebeurde het  regelmatig dat er ineens een collega weg was en niet meer terug kwam. Zijn of haar bureau werd in no time leeg geruimd en we hoorden nooit meer iets. Weg was weg, contact houden was not done. Ik had er nooit een probleem in gezien, het was de cultuur binnen de dienst. Als ik al naar huis gestuurd word voor zo’n relatief klein akkefietje zijn er natuurlijk veel meer zwijgambtenaren, dacht ik dus. Daar zitten er vast heel wat tussen die er ook hartstochtelijk naar verlangen zich weer normaal te kunnen uiten. Vrijuit kunnen praten is toch  een heel normaal verlangen? Door de gedachte dat ik onmogelijk de enige kon zijn die hier mee te maken had voelde ik mij meteen al een stuk minder eenzaam. Vanmorgen vroeg stuurde ik snel een verzoek naar mijn contactpersoon dat ik hem dringend wilde spreken.

En toen ging het allemaal ineens heel snel. Ik mocht vanmiddag meteen langskomen. Natuurlijk was ik op van de zenuwen. Stotterend en kuchend probeerde ik mijn contactpersoon duidelijk te maken dat ik kapot ging van dat rottige zwijgen. Hij zette een glas water voor me neer en nam uitgebreid de tijd voor me. Schor legde ik hem uit dat ik er echt iets moest gebeuren. Dat ik vroeg of laat uit de school zou klappen omdat mijn lichamelijke toestand me daartoe dwong. Dat ik er doodziek van werd. Ik zei hem dat er echt iets moest veranderen omdat ik mezelf anders niet meer in de hand had. En ik vertelde dat ik zelf wel een heel goed idee had om mijn toestand te verbeteren. Hij maakte een uitnodigend gebaar en zei dat ik me vooral niet hoefde in te houden. Ik schraapte mijn zere keel en zei dat er een lotgenotengroep voor mensen met een zwijggeldregeling moest komen. Een praatgroep voor oud werknemers die hun mond moeten houden, fluisterde ik. Ik zei dat ik zo hartstochtelijk graag weer normaal wilde praten. Natuurlijk wees ik hem er ook op dat de dienst er toch ook belang bij had als de mensen die voor de dienst zwegen lekker in hun vel zaten. Een tevreden zwijger is iemand die niet snel zijn mond voorbij praat, dat begrijpt iedereen. Eerlijk is eerlijk: mijn contactpersoon reageerde heel begripvol en geïnteresseerd. Hij vroeg me hoe ik dat dan allemaal voor mij zag en of ik daar al met iemand anders over gesproken had. Dat had ik natuurlijk niet. Zoals je weet ben ik erg gezagsgetrouw. Dat ik jou dit berichtje stuur is zo’n beetje mijn eerste verboden actie sinds mijn kinderjaren.

Mijn contactpersoon zweeg even. Toen glimlachte hij en vertelde dat er dus al lang zo’n praatclub bestaat! Tot mijn stomme verbazing vertelde hij dat er toevallig op dit moment een groep oud medewerkers met zwijgproblemen bij elkaar in een all inclusive resort zit. Als ze bij de dienst geweten hadden hoe erg ik onder de regeling leed hadden ze me er allang heen gestuurd, zei hij fijntjes. Hij vroeg me of ik er misschien meteen naar toe wilde. Ik was perplex natuurlijk.  Maar ik zei dat ik heel graag wilde, hoe eerder hoe beter. Hij haalde het lijstje uit de lade van zijn bureau waarop stond wat ik allemaal mee moest nemen en hij wenste me een goede reis. En nu sta ik dus vrolijk mijn zwembroek en badlaken in te pakken. Voor de deur staat een zwarte dienstauto op mij te wachten om mij naar mijn lotgenoten te brengen. Misschien zie ik er wel oud collega’s terug. Dat zou nou leuk zijn, er zaten echt aardige lui tussen. In ieder geval ga eindelijk weer normaal praten. Alles komt goed met mij. Zodra het wat beter met mij gaat, en het mag, bel ik je.

Koel

Het was de heetste dag van de eeuw. Dat had Ricardo de dj van een sensatiestation tenminste over de krakende autospeakers horen schreeuwen, tussen twee zomerhits in. De lucht trilde boven het gloeiende asfalt waarover hij zich door de stad haastte. ‘Basta,’ riep Ricardo, terwijl hij met zijn vuist op de koelbox sloeg die naast hem stond. Boos zuchtend remde hij voor een rood stoplicht. Naast zijn auto, de oude bestelwagen van zijn oom, stopte een groepje fietsers. Het vrolijk gepraat, de bruine benen en armen en de geur van zonnebrandolie: dat alles irriteerde Ricardo. ‘Oom Hans, ik stop er voor vandaag mee,’ oefende hij hardop, ‘ik moet weg, ik wil niet meer.’ Stilstaan met een auto zonder airco in de brandende zon, het was niet te doen. Hij haalde zijn zonnebril van zijn gezicht om het zweet uit zijn ogen te vegen. Het licht was ondragelijk hard, hij kon wel huilen. Ricardo sloot zijn ogen even. Hij zag Sylvia voor zich. Haar huid was licht verbrand en de warme wind golfde door haar stugge haar en ze zweeg.

Hij reed het bedrijventerrein op waar zijn oom deze zomer ruimte huurde in een failliet vleesverwerkingsbedrijf. Een koel en een vriescel om precies te zijn. ‘Echt een buitenkansje,’ had oom Hans gezegd, ‘we gaan samen een sloot geld verdienen.’ Hoewel hij de plannen van zijn oom niet altijd meer geweldig vond  ging Ricardo er toch op in. Hij wilde geld verdienen om een tijdje weg te gaan, maakte niet uit waarheen. Bovendien gebeurde er altijd wel iets mafs als oom Hans in de buurt was. Hans had voor een prikkie een paar pallets diepvriesproducten en drank kunnen kopen die bijna over de uiterste houdbaarheidsdatum waren. Ze hadden al veel van die ouwe meuk met winst doorverkocht en ze hadden het de hele zomer goed met elkaar kunnen vinden. Vandaag was de laatste dag van de vakantie dus wilde Hans zo veel mogelijk van de nog aanwezige voorraad verkopen. Hij belde de hele stad plat om van zijn dubieuze vlees en ouwe blikken drank af te komen. Tot nu toe bestond hun klantenkring dus uit de louche vrienden van oom Hans, zijn kennissen in de snack branche, willekeurig benaderde shoarmatenten en studentenhuizen. Hans deed dus de telefonische verkoop en Ricardo de bezorging. Het rijbewijs van Hans was voor lange tijd was ingetrokken dus hij had zijn neef echt nodig.

Niet alleen de spullen die ze verkochten waren bijna over de uiterste houdbaarheidsdatum heen, ook de goede samenwerking tussen oom Hans en Ricardo zat in de fase van dreigende beschimmeling. Vandaag hadden ze al  een paar keer hevige woorden gehad omdat Ricardo het bezorgen beu was. De hitte, het stof, het drukke verkeer, het werd hem teveel. Ook moest hij de hele tijd aan Sylvia denken, aan hoe hij haar had achtergelaten, maar daar zei hij natuurlijk niets over. Hij had al wel een paar keer tegen Hans gezegd dat hij zich niet goed voelde en naar huis wilde. Maar zijn oom had hem eerst genegeerd, toen uitgescholden en tenslotte opgejaagd. Hij leek wel manisch, vond Ricardo, het schuim stond hem nog net niet op de lippen. Op het heetst van de dag, toen hij  hem vanuit het centrum belde om te zeggen dat hij niet meer terugkwam voor een nieuwe lading, had Hans op het sentiment gespeeld. Hij hield een emotioneel betoog. Het ging erover dat hij altijd van alles voor Ricardo gedaan had en dat het nu pay-back time was.

Ricardo opende de deur die toegang gaf tot de vleesverwerkingsloods en smeet provocatief twee lege koelboxen naar binnen. Hans negeerde de manier waarop zijn neef  zijn entree maakte. ‘Ik heb bier en diepvriespatat verkocht aan boeren in de omtrek, je weet wel: schuurfeesten en bierketen enzo,’ zei hij enthousiast, een telefoongesprek onderbrekend. ‘Je moet naar Hoogmade en Rijpwetering, het zijn wel tien adressen’. Hij zwaaide trots met een stapeltje papier waar de bestellingen op stonden en opende de roldeur van de vriescel. ‘Zoals ik al eerder heb aangegeven,’ begon Ricardo, zonder te weten waarom hij zo’n formele toon aansloeg, ‘stop ik met het voor jou bezorgen van gekoelde en diepgevroren producten.’ Hans, die al bijna in de vriescel stond draaide zich om. ‘Je rijdt vandaag gewoon je ritten,’ zei hij dwingend, ‘we kunnen vandaag een mooi gat in onze voorraad slaan, kom op zeg.’ Nu moet ik doorzetten, dacht Ricardo. Hij voelde een enorme urgentie om nu zijn poot stijf te houden. Alsof hij de rest van zijn leven opdrachten tegen zijn zin zou moeten uitvoeren als hij nu niet voor zichzelf opkwam. ‘Nee man, het is over, ik ben weg,’ zei hij daarom. Oom Hans schreeuwde iets wat niet te verstaan was maar wat ongelofelijk diep uit zijn ziel leek te komen. Hij leek zichzelf niet meer. Ricardo kon zich niet meer voorstellen dat hij altijd zo tegen zijn oom had opgekeken.  Hans liep met grote stappen op zijn neef af. ‘Ik heb altijd mijn nek voor je uitgestoken niksnut,’ schreeuwde hij terwijl hij Ricardo door elkaar schudde. ‘Welnee sukkel,’ riep Ricardo, zijn oom van zich af duwend, ‘Ik heb jou juist altijd geholpen met je achterlijke handeltjes, stomme mislukkeling.’ Het gezicht van Hans werd lijkbleek, Ricardo vond het fascinerend.

‘Je weet niet wat loyaliteit is, je bent een egoïst. Net als je vader’. Hans liep richting de vriescel. Ricardo drukte snel op de knop die de vriescel afsluit om Hans ervan te weerhouden de bevroren ruimte te betreden, alsof daarmee de hele kwestie afgehandeld zou zijn. De roldeur kwam echter maar langzaam naar beneden dus Hans liep onder de dichtgaande deur door naar binnen en bleef tieren. ‘Wat moet ik dan met al deze spullen?’ Hij hield een pakket barbecuevlees omhoog. ‘Wil je me kapot maken ofzo?’ Ricardo zou nu op de rode stopknop van de roldeur kunnen drukken en dan konden ze elkaar nog net blijven zien terwijl Hans naar hem bleef schreeuwen maar dat deed hij niet. ‘Nou?’ wilde Hans weten. ‘Gooi dan maar meteen het slot op deze klotevriezer,’ waren zijn laatst verstaanbare woorden. De rubberen rand van de deur raakte het beton van de vloer; de roldeur was nu helemaal dicht. Ricardo schoof de vergrendeling op de roldeur zoals zijn oom had voorgesteld.

Hij ging op een stapel pallets zitten en schoot in de lach. Oom Hans had zichzelf weer belachelijk gemaakt; er zijn maar weinig gekken die er zelf om vragen om opgesloten te worden. Ricardo voelde zich opgewonden, zijn hart klopte aangenaam snel. Alles lag ineens open: de dag, de zomer, zijn hele leven. Hij sprong in het oude bedrijfsautootje van zijn oom en reed het bedrijventerrein af. Het was nog steeds bloedheet maar alles voelde anders. Hij neuriede mee met een Nederlandstalig liedje op de radio en hij dacht helemaal niet meer aan Sylvia. Het was alsof hij voor het eerst door de stad reed, alles zag er nieuw uit. Toch verlangde hij naar de snelweg, hij wilde vaart maken.