Tagarchief: huwelijkscrisis

Aardig doen

Het was me nog niet eens gelukt om een koud pilsje te bestellen of er stond al iemand tegen me aan te leuteren. Een ongemakkelijk gesprek met een suffe landgenoot was wel het laatste waar ik zin in had. Ik had namelijk net mijn koffer in mijn hotelkamer gesmeten en was vlug in een korte broek geschoten om zo snel mogelijk onder een parasol aan het zwembad neer te kunnen ploffen. Ik wilde rust. ‘Bent u hier alleen?’ werd mij gevraagd. Voor me stond een kalende man van rond de vijftig die heel erg zweette. ‘Ik ben ik hier net,’ zei ik verwijtend, ‘dus erg veel tijd om alleen te zijn heb ik nog niet gehad.’

Ik was met een goedkope vlucht naar dit slaperige stadje aan de Middellandse Zee gevlucht om een beetje bij te komen van een uitputtende huwelijkscrisis. Mijn vrouw vindt mij een egoïstische lul die in cynische droomwereld leeft. Volgens mij heeft ze na jaren doormodderen nu echt genoeg van me. ‘Mag ik even bij u komen zitten?’ zei de man, terwijl hij een ober wenkte en zonder mijn reactie af te wachten naast me op een plastic terrasstoel ging zitten. Omdat de ober zich inderdaad haastte om onze bestelling op te nemen, snauwde ik die vrijpostige vent niet af. Voor zichzelf bestelde hij een cola.

Ik keek naar  een groepje spelende Duitse kinderen die in het zwembad op een opblaaskrokodil probeerden te klimmen. Zo te zien was dat heel moeilijk, ze maakten er niet voor niets zoveel herrie bij. ‘Ik weet niet waarom,’ zei de opdringerige man, ‘maar mijn vrouw is niet te bereiken, ze reageert echt helemaal nergens op.’ Hij droeg een zwart-wit trainingspak en zijn ogen schoten onrustig heen en weer. Als hij hoopte dat ik hem gerust zou stellen was hij absoluut aan het verkeerde adres. ‘Misschien heeft ze een of andere ernstige aanval gehad,’ zei ik langzaam, ‘dat komt heel vaak voor.’ Dit bedoelt Dorien, mijn vrouw, natuurlijk als ze zegt dat ik zo verschrikkelijk bot ben. ‘Heeft u hier een auto, een huurauto misschien?’ zei de man die zich jammer genoeg  niets van mijn onaardige reactie aantrok. ‘Ik heb hulp nodig. Normaal gesproken haalt zij me altijd op, ik ben bang dat er iets mis is.’ Dorien zou nu, als ze hier was, aan hem vragen hoe ze hem het beste kon helpen. Ze zou zich vol overgave op deze sneue hulpbehoevende man storten, dat wist ik zeker. Mijn vrouw is zo’n type die de hele wereld wil redden. Ik heb dat dus helemaal niet. Ik keek nog eens naar het gezicht van de man, het was echt een stumperd.

De drankjes arriveerden. Ik nam een paar grote slokken van mijn bier en bestelde meteen een nieuw glas. Dorien vraagt me dus heel vaak waarom ik niet gewoon wat aardiger kan doen. Ze zegt dat het dan een stuk gemakkelijker voor haar zou zijn om met mij samen te leven. Een van de Duitse kinderen, een jongen van een jaar of tien, was het intussen gelukt op de krokodil te klimmen. In plaats van dat de andere kinderen blij waren dat het iemand was gelukt om het plastic ding te bestijgen, probeerden ze hem er juist weer vanaf te trekken, terug het water in. De irritante man naast mij nam kleine slokjes van zijn cola. Aardig zijn, het staat me gewoon tegen, dacht ik. Maar misschien moest ik, hoewel het dus dwars tegen mijn natuur ingaat, toch eens proberen wat vriendelijker en behulpzamer te zijn. Een psychologisch vakantie- experiment, waarom niet? Ik ben er nu toch, redeneerde ik, wellicht steek ik er iets van op waarmee ik thuis mijn voordeel kan doen. Want hoewel Dorien soms echt verschrikkelijk kan zeiken wilde ik haar toch niet kwijt. ‘Mijn vrouw verblijft in een huisje in de bergen, het is ongeveer een uur rijden,’ zei de man. Een van de eigenschappen van aardige mensen is dat ze niet meteen overal negatief op reageren, wist ik. ‘Geeft ze wel vaker geen sjoege?’ vroeg ik daarom op een heel redelijke toon.

Ik had Bram, zo heette de nerveuze man, gevraagd of hij in mijn huurauto wilde rijden want ik had inmiddels een paar pilsjes op. Het glooiende landschap waar we doorheen reden was schitterend. Ik zag olijfvelden en rond kleine boerderijtjes stonden bomen met rijpe sinaasappelen. Een volgende keer wilde ik hier wel met Dorien naar toe, bedacht ik; ze zal deze route prachtig vinden. Bram zei dat het huis waar we naartoe gingen al twintig jaar bezit was van de familie van zijn vrouw. ‘Wil jij straks even met haar praten,’ zei hij, ‘misschien is ze wel boos op me.’ Ik vond dat hij zich op zijn minst een beetje had kunnen opknappen. Hij stonk naar zweet en in dat vlekkerige trainingspak zag hij er erg onverzorgd uit. ‘Best,’ zei ik, ‘maar verwacht er niet teveel van.’ We reden steeds verder de bergen in. Ik voelde me steeds meer op mijn gemak bij die vreemde vent, misschien deed het me wel goed om eens iemand te helpen.

‘We zijn er bijna,’ zei hij. We reden langs fraaie witte huizen met uitbundige tuinen. Bram reedt zo langzaam dat het wel leek of hij vergeten was welk huis van zijn schoonfamilie was. Uiteindelijk stopten we voor een lege garage van een van de huizen. ‘Ik denk dat ze toch met de auto weg is gegaan.’ Ik liep achter hem aan naar de voordeur van het enorme huis. ‘Shit, ik heb helemaal geen sleutel bij me. Wacht even hier, dan ga ik via de achterdeur naar binnen.’ Een tijdje later opende hij de voordeur voor mij. ‘Ze is er inderdaad niet,’ zei Bram. Hij klonk een beetje opgewonden. ‘Als jij hier nou even in de gang wacht, dan pak ik even snel wat spulletjes bij elkaar en dan rijden we snel terug naar de stad. Waarschijnlijk loopt zij daar nu naar mij te zoeken, snap je?’ Ik vond het allemaal wel best, ik moest de hele tijd aan Dorien denken; ze zou eens moeten zien hoe aardig ik hier sta te doen. Ik keek wat rond in de gang. Er hingen een paar familieportretten. Op niet een van die foto’s kon ik het gezicht van Bram ontdekken.

Boven in het huis klonk wat gerommel. Bram bleef langer weg dan ik had gedacht, ik liep daarom de gang door en opende de keukendeur om te kijken of ik iets te drinken kon regelen. Ik zag meteen dat er een ruitje van de achterdeur was ingetikt en de laden van alle kasten stonden allemaal wagenwijd open. ‘Juist lul,’ zei ik tegen mezelf, ‘aardig doen dus.’ Ik beende de gang door en haastte me via de voordeur naar buiten.  Voordat ik terug bij de auto was had Bram me al ingehaald. Hij had een sporttas vol met spullen bij zich. ‘Echt bedankt dat je dit wilde doen,’ hijgde hij, ‘ik begrijp dat het er allemaal een beetje vreemd uitziet maar..’. ‘Ja, ja,’ bromde ik, ‘het is al goed.’ Op de terugweg zeiden we niet zoveel meer. Hij probeerde het nog wel maar ik reageerde kortaf op alles wat hij zei. Toen ik terug in het hotel was wilde ik heel graag met mijn vrouw bellen maar ik deed het niet. Ik was natuurlijk pas een halve dag van huis, het enige wat ik kon doen was een sms sturen dat ik veilig was aangekomen.