Tagarchief: zomerhit

Zomerhit

Marcel haastte zich naar huis. Hij fietste nog sneller dan het uptemporitme van dé Nederlandstalige zomerhit van dat jaar. Marcel haatte dat nummer. In dat lied, dat hij maar niet uit zijn kop kon krijgen, werd waanzinnig veel zon en nog meer liefde beloofd. Het had vier coupletten die slecht rijmden en bestond verder uit een wezenloze herhaling van het zoete refrein.  Marcel hoopte de ziekelijke hypnose van dat rotnummer te verbreken door keihard buiten de maat om op zijn pedalen te trappen. Aan het stuur van zijn fiets hing een feestelijk gekleurde plastic tas die lichtjes meedeinde in het rappe tempo. Omdat hij nog snel even bij de jonge eendjes in de vaart wilde kijken reed hij het fietspad op dat achter de dorpsstraat liep en uitkwam op de dijk. De dag ervoor had hij er nog acht geteld. Marcel wist dat reigers en ratten graag een jong eendje grepen. Uiteraard wist hij ook dat dat heel natuurlijk was maar toch hoopte hij intens dat die roofdieren elders naar voedsel zochten en dat het groepje eendenkuikens nog compleet was. Op de brug die over de vaart lag stopte hij met trappen en liet hij zijn fiets uitrijden op het fietspad.

Marcel schrok toen hij het groepje jongens op de dijk zag staan. Het waren Stefan en zijn vervelende vrienden. Het was echt een groep hele nare gasten. Ze waren gemiddeld twee jaar ouder dan hij en ze zaten bij hem op school. Dit clubje was altijd bezig met treiteren en dingen kapot maken. Er ging geen dag voorbij of Marcel werd wel uitgescholden, geduwd of bespuugd door Stefan en zijn onafscheidelijke meelopers. Ze stonden op de dijk en gooiden met stenen en kluiten aarde naar de kleine eendjes. Natuurlijk schreeuwden ze er hard bij. Marcel bevroor. Hij hield van dieren; misschien hield hij wel meer van dieren dan van mensen. Beesten zouden nooit doden voor de lol, wist Marcel. Hij wilde dat ze onmiddellijk stopten met die afschuwelijke moordpartij. Maar wat kon hij doen? Hij was klein voor zijn leeftijd en Stefan had wel vijf metgezellen bij zich. Marcel berekende de afstand tussen hem en het groepje. ‘Hou daar mee op stelletje dierenbeulen,’ riep hij zo hard mogelijk met overslaande stem. Een van de jongens van het opgewonden groepje keek op. Paul heette hij. Marcel zag dat Paul iets tegen de leider van de club zei. Hij had al zo vaak in natuurfilms gezien dat alleen de baas, het alfamannetje, de beslissingen neemt en hier was het al niet veel anders.

Stefan gaf zijn knechtjes het bevel om Marcel te grijpen. De jongens stormden de dijk af. Eentje liep vertraging op omdat hij struikelde over een molshoop en viel.  Marcel wachtte tot zijn belagers vlak bij hem waren en ging toen boven op zijn linker trapper staan om er snel vandoor te gaan. Hopelijk zouden de rotzakken hem een stukje achterna hollen en dan zo afgeleid zijn dat ze iets anders gingen doen dan onschuldige eendjes doodgooien. Helaas slingerde de plastic tas die aan zijn stuur hing onhandig tegen zijn been toen hij op wilde trekken en kwam hij met een rare manoeuvre in de berm terecht.

Twee van die rotgasten grepen hem stevig bij zijn schouders. Een ander, Leo heette hij, ging met het voorwiel tussen zijn benen voor hem staan zodat hij met zijn fiets geen kant meer op kon. De jongens hielden hem stevig vast in afwachting van Stefan, die gewichtig aan kwam wandelen. Marcel voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Hij wist dat alleen iets enorm slims hem nog kon redden van een vernederende pestpartij. ‘Zo dan,’ zei Stefan, ‘wat wilde jij nou eigenlijk, met je achterlijke geschreeuw?’ Marcel haalde zijn schouders op. Er kwamen een paar oudere dames voorbij op de fiets. Stefan schoof de feestelijk gekleurde plastic van het stuur en keek er in. Natuurlijk wilde Marcel hem tegenhouden maar hij werd te stevig vastgehouden om ook maar een beetje te bewegen. ‘Wat hebben we hier?’ fluisterde Stefan opgewonden terwijl hij een taartdoos uit de tas tevoorschijn haalde. ‘Eva gefeliciteerd,’ las hij voor,’ nadat hij de taartdoos had geopend. Dat is jouw kreupele zusje toch?’ Marcel’ s zusje liep inderdaad met krukken. Marcel huiverde van machteloze woede. Hij was het wel gewend om gepest te worden maar hij vond het verschrikkelijk als het als het over Eva ging. ‘Ze is jarig dus laat me nou maar gaan, ‘zei hij zo flink mogelijk.

Stefan ploegde met zijn wijsvinger diep door de slagroomlaag van de taart en likte die verlekkert af. ‘Waarom heb je nu ineens zo’n haast,’ zei de leider van de pestclub, ‘terwijl je net uitgebreid de tijd nam om van alles naar ons te roepen.’ Stefan draaide  langzaam zijn gezicht en keek al zijn vrienden even veel betekend aan. ‘Wat noemde je ons daarnet nou?’ Het bleef even stil; Stefan wist hoe hij de spanning moest opvoeren. ‘Dierenbeulen? Is dat wat je riep?’ Marcel haalde zijn schouders op. ‘Wij houden er niet van om uitgescholden te worden toch?’ vroeg Stefan aan zijn kameraden. Die riepen hard dat ze daar inderdaad niet van gediend waren. ‘Maar als jij zo’n grote jongen bent die iedereen denkt te kunnen zeggen wat ze moeten doen en laten dan weet ik nog wel een leuk klusje voor je.’

Ze sleepten Marcel mee naar hun hoofdkwartier, een oude verlaten school , die een stukje verderop op de dijk stond. Er fietsten nog een paar volwassen mensen voorbij maar die dachten vast dat ruw meegesleept worden een modern spelletje was. De pestvrienden duwden Marcel door een gat in het hek dat rond de school stond. Stefan, de leider van de groep, sloop het eerst de oude school in en de rest volgde hem. Binnen lag kapot glas, het was er stoffig en het rook er naar pis. Marcel werd absurd stevig vastgehouden door Leo, een van de sterkste jongens van school.  Stefan deelde de taart uit aan zijn bende. Hij schepte de grote brokken met zijn handen uit de kartonnen doos. Even klonk er alleen maar het geluid van vretende jongens. Toen begon Stefan zacht te zingen. ‘Marcel gaat haar halen olé olé olé,’ zong hij samenzwerend. Al snel zong de hele groep vrienden lachend mee.  Steeds harder ging het. Stefan gaf een teken en het gemene jongenskoor marcheerden zingend de trap op, Marcel voor zich uit duwend. Ze hielden halt bij een grote ruimte waar de hele vloer al uit was gesloopt. Er was alleen nog een  netwerk van smalle houten balken over waar vroeger de gipsplaten aan hadden gehangen. Marcel keek angstig tussen de balkjes door naar beneden. Het was echt enorm diep. De ruimte eronder was in beter tijden de gymzaal van de school geweest.

Aan de andere kant van de ruimte hing een bizarre pop aan de muur. Stefan en zijn vrienden wezen er naar en bleven zingen dat Marcel haar moest gaan halen. Het was een schaarsgekleede vrouwelijke etalagepop zonder benen.  Marcel zag er niets aantrekkelijks in. Misschien hadden oudere gasten die macabere torso opgehangen voor een geheimzinnig ritueel, dacht hij, het ding had wel iets van een absurd heiligenbeeld. ‘Als je zo lief voor je manke zusje bent, dan kan je ook vast wel lief voor die dame zijn,’ zei Stefan treiterig, ‘want zij heeft helemaal geen benen en is dus nog zieliger.’ De groep pesters lachten hard en sloegen hun leider op de schouders. Marcel werd helemaal koud van binnen. Zijn hart, zijn hoofd, het was of hij gevoelloos was geworden. ‘Ga haar halen,’ beval Stefan en hij duwde Marcel in de richting van een van de houten balken. Die balken waren ongeveer tien centimeter breed en drie centimeter dik, schatte Marcel, voldoende om hem te kunnen dragen. Daarom greep hij, ondanks zijn angst om dood te vallen, de kans om van het clubje pesters weg te lopen met beide handen aan. Hij keek niet meer in de enorme diepte die vroeger de gymzaal was en hij dacht niet meer na. Hij was al onderweg. Langzaam schuifelde hij, zijn voeten overdwars op de balk plaatsend, weg van Stefan en zijn pestvrienden. Hij was misselijk en een beetje duizelig. Hij probeerde alleen maar naar de balk vlak voor hem te kijken.  Achter hem hoorde hij zijn pesters opgewonden praten. Hij vermoedde dat ze stiekem wel bewondering voor zijn moed hadden, al zouden ze dat natuurlijk nooit toegeven. Omdat hij wilde zien hoe ver het nog was keek hij even op. Aan de overkant waar de pop hing zag hij een soort platform waar hij veilig op zou kunnen staan. Hij dwong zichzelf diep adem te halen en door te schuifelen. Toen hij ruim over de helft was zag hij, toen hij weer even op durfde te kijken, dat de balk aan de rechterkant van hem helemaal gebarsten was. Dat hij een stevige had getroffen was puur geluk. Niet stil gaan staan nu, hield hij zichzelf voor, je bent er bijna. De laatste meters gingen hem gemakkelijk af omdat hij wist dat hij het ging redden. Eindelijk was hij aan de overkant.

Marcel stond op het platform en bekeek de etalagepop die nu vlak naast hem hing.  Het gezicht was ooit zeer zwaar opgemaakt, maar inmiddels erg verlopen en zelfs beschimmeld. Marcel zag de vieze vlekken op haar ondergoed, de krassen en deuken op haar armen en buik. Hij wilde er niet over nadenken wat die oudere gasten met haar hadden uitgespookt. Toch maakte hij de torso zo voorzichtig los van de muur zodat het leek alsof hij er een diep respect voor had. Ondertussen slaakten de pesters aan de overkant van de ruimte allerlei overwinningskreten alsof de buit al binnen was. Toen Marcel de smoezelige etalagepop los van de muur had sloeg hij zijn arm om haar heen. ‘Ik blijf hier,’ zei Marcel. Het was heel even stil ‘Wat zei jij daar?’ schreeuwde Stefan, ‘ik geloof dat ik niet goed verstaan heb.’ ‘Ik blijf hier,’ riep Marcel nu luid, ‘kom mij maar halen.’ Stefan werd rood en brulde een paar keer dat Marcel, nu onmiddellijk,  met de modepop naar hem toe moest komen.

‘Als je echt zo’n held bent, een leider van de groep, waarom kom je deze chick dan zelf niet halen?’ zei Marcel. Hij was nu totaal niet bang meer. ‘Omdat jij dat voor mij ging doen flapdrol,’ antwoorde Stefan kwaad.  Marcel had de indruk dat Stefan behoorlijk zenuwachtig begon te worden. Hij liep onrustig heen en weer tussen zijn knechtjes en gromde voor Marcel onverstaanbare dingen. Marcel was ondertussen voorzichtig, ongemerkt, naar rechts geschoven. Hij stond nu bij de balk die er vanaf de zijkant behoorlijk zwak had uitgezien. Hij was bijna helemaal door gebarsten, iets wat vanaf de kant van de pesters niet te zien was. Hij wees naar die balk, het gammele stuk hout dat nu tussen Stefan en hem in zat. ‘Je durft het gewoon niet, Geef het nou maar toe…, ’ lachte Marcel zo moedig mogelijk. ‘Natuurlijk wel drol,’ schreeuwde Stefan en hij liep naar de balk. Even stond hij stil, misschien hoopte hij dat zijn vrienden hem tegen wilde houden, maar toen begon hij toch langzaam naar de overkant te schuiven. Zijn volgelingen moedigden hem fluisterend aan.

Toen hij ruim over de helft was begon de balk krakende geluiden te maken. Stefan twijfelde of hij om moest draaien en terug gaan of dat hij door moest lopen omdat hij al bijna aan de overkant was. Even keek hij  Marcel smekend aan. Marcel glimlachte en haalde zijn schouders op. Het ging onwerkelijk langzaam. De barst trok meters door het hout voordat Stefan daadwerkelijk door de balk zakte. Toen begon het angstige schreeuwen en dat hield pas op nadat zijn lichaam plat op de betonnen vloer gekwakt was. Stof waaide op en het werd stil.

Marcel hing de schaars geklede etalagepop weer voorzichtig terug op de plek waar hij haar vanaf had gehaald. Daarna schoof hij op zijn gemak terug via dezelfde stevige balk van de heenweg. Na een paar meter keek hij even naar beneden. Daar zag hij het bewegingloze lichaam van Stefan liggen, zijn trouwe vrienden bezorgd over hem heen gebogen. Hij liep rustig de trap af. In de hal beneden verzamelde hij de resten van de taart die op de grond lagen en stopte ze in de doos. Hij verliet de oude school. Op de dijk stelde Marcel tevreden vast dat er nog steeds acht jonge eendjes in de vaart zwommen. Hij voerde ze de resten taart. Natuurlijk wist hij dat dit helemaal niet gezond was voor de kleine dieren. Maar vandaag was het feest, redeneerde Marcel, dus moest er getrakteerd worden. Hij had nog wat geld in zijn zak. Het was hopelijk genoeg om een nieuwe taart te kopen voor Eva. Hij sprong op zijn fiets en zijn voeten begonnen meteen in het ritme van dé zomerhit van dat jaar te trappen. Eerst nog neuriede Marcel de melodie zachtjes. Maar zodra hij de brug over was die over de vaart lag en de dorpsstraat in stuurde zong hij het lied over de zomer en de liefde uit volle borst mee.